12 maart 2008

11 maart 2008

citaat van de maand

"Wat is er mis met weten wat je nu weet
en nog niet weten wat je voorlopig nog niet weet?"
- Winnie de Pooh

04 februari 2008

citaat van de maand

Een oude hindoefabel.

Een Indiase maharadja hoorde dat er in zijn koninkrijk een beroemde sadhu (godsdienstig zelfverloochenaar) onder een boom was gaan zitten. De maharadja had zoveel over de spirituele uitmuntendheid in illusionaire en wereldse dingen van deze mysticus gehoord, dat hij in zijn rijtuig naar hem toe reed. Hij vond de sadhu onder een boom, zo naakt als een ‘jaïn-vogel’, terwijl hij stil zat te mediteren. Uit beleefdheid nodigde de maharadja de sadhu uit om naar zijn paleis te komen en zich als zijn gast te laten verwennen. Zoals het voor de maharadja in die tijd sociaal gebruikelijk was dit aan te bieden, was het voor de zelfverloochenaar gebruikelijk dit te weigeren om zo te laten zien dat hij boven de wereld stond.

De sadhu deed zijn ogen open, stond op en zei: ‘Goed, laten we gaan’.

De naakte man klom in het rijtuig en spoorde de verblufte maharadja grijnzend aan de koetsier de paarden naar het paleis te laten galopperen. De daaropvolgende weken leerde de sadhu de maharadja dingen over zelfverloochening, meditatie en spirituele bevrijding, terwijl hij heerlijk eten at, prachtige mantels aantrok en genoot van het gezelschap van de maharadja’s mooiste courtisanes.

De maharadja pruilde, totdat hij er niet langer tegen kon. Op een dag zag hij dat de sadhu zich gedroeg alsof hij heer Krishna zelf was; Hij lag op een bank, genoot van de tuin en de pauwen die daar rondliepen, terwijl aan zijn voeten jonge vrouwen lagen die hem serenades brachten met liederen en sitars. “Bedrieger! Hoe kunt u zich een zelfverloochenaar noemen? Een godsdienstig mens moet de wereld de rug toekeren”, sputterde de maharadja tegen. De goed geklede sadhu was niet verbaasd. “Dit verwachtte ik al”, zei hij. “Ik ben eerlijk gezegd verbaasd dat het zo lang duurde tot u uw ongenoegen liet blijken. Zo buitengewoon zijn uw ideeën over wat godsdienstig zijn inhoudt”.

De sadhu sprong van zijn bank en liep de tuin uit.”Breng uw rijtuig hier, het is tijd voor mij om te gaan”. De sadhu liet de maharadja naar de grens van zijn koninkrijk rijden. Toen zij de grens bereikten, stapte hij af en gaf alle juwelen en mooie kleren terug, totdat hij weer de naakte zelfverloochenaar was. Hij zei gedag en liep weg.

Nu hij hem weer naakt zag, net als op de dag waarop hij hem ontmoet had, kon de maharadja het aura van de sadhu weer voelen en schaamde hij zich. Hij viel neer en vroeg om vergeving. “Kom alstublieft mee terug naar mijn paleis. Nu zie ik dat u inderdaad een heilige bent.” De sadhu stopte en draaide zich om. “Ik ga niet mee terug”, zei hij vastberaden, maar met vriendelijke ogen. “Als ik meega, trek ik weer uw mantels aan, geniet van uw eten en van het leven met uw mooie vrouwen, dan zult u weer voelen dat ik een bedrieger ben. Dan zult u weer eisen dat ik vertrek.

Mijn arme, geliefde vriend, u kunt de natuurlijke mens voor u niet zien. U ziet alleen de ideeën over hoe een heilige moet zijn. Je hoeft geen afstand te doen van dingen. Men hoeft alleen de hechting aan dingen vaarwel te zeggen. Ik ben vrij om overal – of nergens van – te genieten, omdat de bron van mijn vreugde vrij is van oorzaak of gevolg. Daarom kan ik uw paleis verlaten en weer naakt in de wildernis leven. Het geeft niets en het heeft geen effect op mijn bevrijding.”

05 januari 2008

citaat van de maand


Jezus zei tot hen:

Als jullie de twee één maakt

en als jullie het innerlijk maakt als het uiterlijk,

en het uiterlijk als het innerlijk

en het boven als het beneden,

en als jullie het mannelijke en vrouwelijke tot één maakt,

zodat het mannelijke niet mannelijk zal zijn

en het vrouwelijke (niet) vrouwelijk,

als jullie ogen maakt in plaats van een oog

en een hand in plaats van een hand

en een voet in plaats van een voet

(en) een beeld in plaats van een beeld;

dan zullen jullie binnengaan in [het koninkrijk].


Evangelie van Thomas, logion 22.

24 december 2007

07 december 2007

citaat van de maand

De welomschreven Tao is niet de onveranderlijke Tao.
Geen enkele naam noemt zijn eeuwige naam.

Het onnoembare is de oorsprong van hemel en aarde;
benoemd is het de moeder van de tienduizend dingen.

Verlost van verlangen, zien we het mysterie;
vervuld van verlangen, zien we alles gemanifesteerd.

Twee namen komen voort uit één bron,
en beide worden mysterieus genoemd;

het mysterie zelf is de ingang om het te zien.

Tao Te Tsjing - Lao Tse.

06 november 2007

De God van jou en mij

In de Joodse traditie spreekt men van de God van Abraham, de God van Izaäk en de God van Jacob. Iedere keer wordt opnieuw gezegd: ‘de God van…’. Men doet dit omdat God zich aan elk van hen op een andere manier openbaarde. De God van Abraham, de God van Izaäk en de God van Jacob is ook de God van ieder mens afzonderlijk. Het is de God van jou, en de God van mij. Ook al hebben we daar elk een heel ander beeld bij. Ieder mens ervaart of ziet God op een andere manier.

Maar wanneer mensen met elkaar over God praten, kunnen ze alleen overeenstemming bereiken als ze over datgene spreken waarin ze overeen komen. Een religieuze traditie kan dan een referentiekader vormen om over God te spreken. Binnen een godsdienst beleeft men gezamenlijk iets van het Goddelijke door religieuze handelingen en liturgie.

Theologie is spreken over God. Christelijke theologie is het spreken over de God van de christelijke traditie. Een traditie is echter geen mens, dat het een eigen godsbeeld kan krijgen door openbaring of ervaring. Wanneer we het over de christelijke God hebben, dan hebben we het over het godsbeeld zoals dat in dogma’s en leerstellingen onder woorden wordt gebracht. De christelijke God is een drie-enige God, de God van de menswording in Christus. Dogma’s en leerstellingen bepalen en beperken het godsbeeld. Het is alsof men spreekt over de God van Abraham, Izaäk en Jakob, alsof hij voor allen gelijk was. We hebben het dan dus niet over de God van de individuele christen.

Men kan zich afvragen in hoeverre het eigen godsbeeld wordt bepaald door de traditie. Werd het godsbeeld van Abraham, van Izaäk en van Jacob bepaald door een traditie? Of is de traditie bepaald door de verhalen rondom deze personen? Moeten wij ons aanpassen aan de traditie(s)? Uiteindelijk is iedere traditie ooit begonnen met de religieuze ervaringen van enkelingen.

Toen ik theologie ging studeren, wilde ik graag over God spreken op een manier die voor ieder mens mogelijk zou zijn. Ik geloof in de God van alle mensen. Ook al heeft ieder mens afzonderlijk er een ander beeld van. Op mijn opleiding wordt echter hoofdzakelijk over God gesproken vanuit het christelijk perspectief. Ik ervaar dit als een grote beperking. Op die manier wordt er in veel redeneringen uit gegaan van vooronderstellingen. Het verhaal gaat dan niet meer op voor alle mensen.

Als wij een manier konden vinden om aan algemene theologie te doen, dan zouden we misschien de onderlinge verschillen tussen de godsdiensten kunnen overstijgen en tegelijk aan ieder afzonderlijk mens recht doen. We kunnen het dan hebben over de God van Abraham, de God van Jezus, de God van Mohammed, de God van jou en de God van mij.